A Aalstreep: Streep donkergekleurde haren op lichte ondergrond, lopend van schoft tot staartaanzet (bijv. bij een mopshond) Aanslaan: Beginnen met blaffen als reactie ergens op. Aantrekken:Voorzichtig volgen van het wild tot dit vastligt (lang blijft liggen) en zich niet meer verplaatst. Aardhonden: Honden die het wild onder de grond (in holen) moeten zoeken. Aberrant: Afwijkend. Abnormaal:Afwijkend van de norm. Abrupt: Plotseling Achterhand: De achterbenen en de bekkengordel. Achterhoofdsknobbel: Jachtknobbel. Kam op het achterhoofdsbeen. Achter middenvoet: Het deel van het achterbeen tussen de hak en de tenen. Adel: Geeft een harmonische belijning, een trotse en edele verschijning aan, zonder de bruikbaarheid te verliezen. Duidt ook op symmetrie, fierheid en zelfbewustheid. Adolescent:Jeugdig. Adult: Volwassen. Affix:Kennelnaam als achternaam gebruikt. Zie: suffix. Afgezette borst: Een te sterk gekromd zwaardvormig aanhangsel van het borstbeen (borstbeen te kort). Africhten: Het aanleren bepaalde oefeningen of werkzaamheden op commando uit te voeren. Agouti: Peper en zout. Benaming om wildkleur aan te geven. Agressie:De hond kent onder meer: angst - agressie, dominantie - agressie, verdedigende agressie, instinctieve agressie en gestoorde agressie. A.K.C.: American Kennel Club; Amerikaanse overkoepelende kynologische organisatie. Wordt ook voor de door hen uitgegeven stamboom gebruikt. Alert:Vrijmoedig bewegend, geboeid lijkend door iets. Alimentair: met betrekking tot de voeding. Allel: Elk van de verschillende vormen van hetzelfde gen. Allround keurmeester:Keurmeester die bevoegd is alle rassen te keuren. Amandelvormig: Aanduiding voor de ovale vorm van het oog. Anorchidie: Het niet aanwezig zijn van testikels. Aplasie: Onvolkomen ontwikkeling. Appèl: Gehoorzaam, alert gedrag. (Fik staat keurig onder appèl) Appelhoofd: Bol voorhoofd, vaak met uitpuilende ogen Apporteren: Het bij de jager brengen van het geschoten wild; het terugbrengen van een weggeworpen voorwerp. Apron: Witte kraag van Schotse Herder (Collie) en Shetland Sheepdog (Sheltie). Artemis-proef: Zware jachthondenproef voor A-honden van 24 maanden en ouder, waarbij uitsluitend met koud wild wordt gewerkt. B Baard: Rijkelijke beharing aan de onder- en voorzijde van de onderkaak. Bakken:Sterk ontwikkelde wangspieren. Bananenstaart: Gecoupeerde staart die met een sterke boog omhoog en naar voren buigt (diverse terriers). Basset: Zie brakken. Bastaard: Honden uit rasloze ouderdieren of ouders van verschillend ras. Beet: Manier waarop snijtanden in onder- en bovenkaak t.o.v. elkaar staan. Behang: Oren plus de beharing ervan. Beharing: Synoniem voor vacht. Behendigheid: Tak van de hondensport waarbij parcoursen met hindernissen moet worden afgelegd. Bek, harde ~: Tegenovergestelde van zachte bek. Bek, zachte ~: Het voorzichtig op pakken en apporteren van wild, dat het niet beschadigd wordt. Beladen schouders: Te zwaar ontwikkelde spieren aan de binnenzijde van de schouderbladen. Belijning: Lijnen die het silhouet van de hond vormen. Belton: Schimmelpatroon bij Engelse setters. Blue belton: wit met zwarte vlekjes; Lemon belton: Wit met citroen-kleurige vlekjes; Liver belton: wit met bruine vlekjes; Orange belton: wit met oranjekleurige vlekjes. Bench: Hok of kooi op tentoonstellingen voor het huisvesten van de ingeschreven honden. Berghonden: Rassen die voor bewaking en bescherming van de kuddes in bergachtige gebieden ingezet worden. Beschutter: Een brak- of windhond die de jagende honden belette het wild te doden of te verscheuren. Bevedering: Lange haren aan de achterzijde van de benen, van de staart en aan de oren. Black en Tan: Tankleurige aftekeningen aan de achterkant van de onderpoten, binnenkant van de oren, buik en keel en vlekjes boven de ogen zoals bij de Dobermann en Rottweiler. Bone: Botsubstantie. Borstdiepte: Loodrechte afstand tussen schoft en borstbeen. Bovenbelijning: Lijn die vanaf het achterhoofd via nek, schoft, rug, lendenen en kruis tot de staartaanzet loopt. Bovenvacht: Harde, langere haren die boven de ondervacht uitsteken. Bovenvoorbijten: Bij gesloten gebit staan de bovensnijtanden vóór de ondersnijtanden zonder elkaar te raken. Brachiocephalen: Honden met een brede schedel (o.a. bij dogachtige honden). Brakken: Lopende honden die luid blaffend het wildspoor moeten volgen (Duits: Bracke; Engels: Hound; Frans: Chien courant; Italiaans: Segugio). Brand: Vaalgele tot roestrode aftekening bij donkergekleurde honden aan hoofd, borst, benen, voeten en onder de staart (o.a. Dobermann, Rottweiler, Dashond, Berner Sennenhond). Breien: Zie kruisen. Broek: Bevedering van de achterbenen (tot spronggewricht). Broken coat: Oude term voor ruwe, harde vacht. C CAC: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat'. Kampioenschapsprijs waarvan er in principe 4 nodig zijn om de titel KAMPIOEN te verwerven. CACIAG: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Agility' CACIB: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International de Beauté'. Kampioenschapsprijs om de titel Internationaal Kampioen te verwerven. CACIL: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International des Courses de Lévriers' CACIOB: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International d'Obéissance' CACIT: Afkorting van 'Certificat d'Aptitude au Championnat International de Travaille'. Kampioenschapsprijs om de titel INTERNATIONAAL WERKKAMPIOEN te verwerven. Carnivoor: Zoogdier dat van vlees leeft (vleeseter). Anderen zijn de herbivoor (planteneter) en omnivoor (alleseter). Chondrodystrophie: Onvoldoende of verlate verbening van het kraakbeen, waardoor misvormingen kunnen ontstaan. Chocoladekleur: Voornamelijk bij jachthonden gebruikte benaming voor een donkerbruine kleur. College van Beroep: Een college van 3 personen dat een beroep tegen een besluit van de Raad van Beheer behandelt en een uitspraak formuleert die voor beide partijen aIs bindend advies geldt. Couperen: Het verkleinen van oorschelpen en het inkorten van de staart. Cryptorchisme: Het verschijnsel dat beide testikels niet in het scrotum zijn afgedaald. D Dameshondjes: Vroegere benaming voor kleine gezelschapshonden. Daskleurig: Patroon van kleuren dat ontstaat door een mengeling van zwarte, gele en grijze haren. Elk afzonderlijk haar kan ook deze drie kleuren bevatten. Dekhaar: Lange, hardere haren van de bovenvacht. Derde ooglid: Bevindt zich in de binnenste ooghoeken, is normaal donker van kleur en nauwelijks zichtbaar. Het wordt vaak aangeduid als bindvlies. Dip: Inzinking in het rugprofiel vlak achter de schoft. Diskwalificeren: Het niet in aanmerking komen voor een kwalificatie ten gevolge van een fout die in de standaard vermeld staat. Dogachtigen: Groep van honden met brede schedels. Dolichocephalen: Honden met een lange schedel (windhonden). Downfaced: Een in een gebogen lijn verlopen schedel, van opzij bezien van achterhoofdsknobbel tot aan de neusspiegel (zoals bij een Bullterrier) Draadhaar: Een ruwharige bovenvacht die uit zeer harde haren bestaat. Draf: Een manier van voortbewegen waarbij steeds een diagonaal benenpaar het lichaam ondersteunt. Driekleurig: Aanduiding voor een hond met de kleuren zwart, wit en roodbruin, zoals bij de Sennenhonden. Droog: Een strak om het lichaam gespannen huid, zonder plooien en/of rimpels. Drijfhond: Jachthond die als taak heeft het wild uit de dekking te drijven. E Ectropion: Het naar buiten krullen van het ooglid (een erfelijke afwijking). Eénsporig gaan: Zie éénsporig gaan Entropion: Het naar binnen krullen van een ooglid (een erfelijke afwijking). Expositie: Een evenement waar de ingeschreven honden op hun onderlinge schoonheid beoordeeld worden. Expressie: De gezichtsuitdrukking van de hond. Exterieur: De uiterlijke verschijningsvorm van de hond, die voor elk ras verschillend is. Enceinte: Omrasterde ruimte op een tentoonstelling voor enkele honden tezamen. Epagneul: Zie staande honden. F Faking: Aanbrengen van veranderingen aan het extererieur om de keurmeester te misleiden. Fauve: Kleuraanduiding die loopt van tarwegeel tot rood-bruin. Fawn: Beige- of reekleurig. Field trial: Zie veldwedstrijd. FCI: Afkorting van 'Fédération Cynologique Internationale', de internationale overkoepelende organisatie op kynologisch gebied. Flankeren: Het systematisch (zigzaggend) afzoeken van een terrein door een jachthond. Fokker: De persoon die ten tijde van de worp eigenaar van de moederhond is. Flyball: Tak van hondensport waarbij over een hindernissenparcours een balletje moet worden geapporteerd. Franje: Lange beharing aan de oren. Frans staan: Met de voorvoeten uitgedraaid (naar buiten gedraaid) staan. Front: Meestal worden hiermee de voorbenen bedoeld. Ook vooraanzicht (borstpartij en voorbenen) G Gaan, nauw ~: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voorbenen en/of achterbenen. Gaan, éénsporig ~:Het tijdens de draf zodanig neerzetten van de voeten dat hun sporen één lijn vormen. Gebonden gaan: Het te weinig naar voren en naar achteren plaatsen van de achterbenen. Galop: Snelste wijze van bewegen, waarbij het lichaam zich regelmatig in een zwevende toestand bevindt. Gangwerk: De manier waarop een hond zich voortbeweegt. Garnituur: Zware wenkbrauwen, samen met snor en baard. Geblokt: Zie vierkant. Gedrukt: Angstig, schrikkerig. Gestrekt: De lengte van de hond is meer dan de schofthoogte. Gestroomd: Min of meer duidelijke streep donkere haren op een lichte ondergrond. Getijgerd: Onregelmatig vlekkenpatroon als bij blue merle (o.a. Dashonden). Gevlekt: Kleine vlekken op een witte ondergrond. G & G: Afkorting van Gedrag en Gehoorzaamheid'. Tak van de hondensport waarbij de hond leert hoe zich te gedragen t.o.v. andere honden en personen, en gegeven commando's uit te voeren. Gladharig: Kort, aanliggend haar zonder ondervacht. Glasoog: Oog met blauwe iris. G-hond: Hond die de kwalificatie goed krijgt op tentoonstelling. Griffon: Aanduiding voor ruwharige honden. Groep: Op een tentoonstelling kunnen drie of meer honden van eenzelfde ras/variëteit als groep worden geshowd Groepskeurmeester: Een keurmeester die bevoegd is een rasgroep te keuren (bijv. alle dogachtigen, alle wind-honden). Grond beslaan, veel ~: in stand: benen wijd uit elkaar geplaatst. In beweging: ruim uit grijpend gangwerk H Haakstaart: Zodanige knik in de staartwervels dat een haakse bocht ontstaat. Halfwindhonden: Windhonden met eigenschappen van brakken die de gebogen rug missen, staande oren hebben, zowel op zicht als op reuk jagen en ook apporteren. Hals geven: Het blaffen of huilen van jachthonden. Hangend oor: Oor dat vlak langs het hoofd hangt. Harlekijn: Witte grondkleur met grotere en kleinere zwarte vlekken zoals bij een Duitse Dog. Hazenrein: De eigenschap van een jachthond om onbeschoten hazen niet te achtervolgen. Hazevoet: Ovale voet. De tenen zijn lang en krachtig. HD: Zie heupdysplasie. Herdershonden: Groep van honden die op enige manier met vee te maken hebben. Hertehals: Gebogen hals die lang en dun is (Italiaans Windhondje). Heupdysplasie: Misvorming van het heupgewricht (meestal afgekort tot HD). Hoeking: Hoek die gevormd wordt door beenderen of beenformaties van de ledematen. Hoogbenig: Voor terriers met een normale beenlengte wordt deze term vaak gebruikt. Als de verhouding borstdiepte-bodem afstand door een ondiepe borst of lange onderarm niet optimaal is gebruikt men de term hoogbenig. Hound staan: Bij rechte voorbenen staan de voeten iets naar binnen gedraaid. Houndmarked: Wit met rode aftekeningen en een zwart zadel. Hubertusklauw: Vijfde teen aan de binnenzijde van het achterbeen. I Inschrijfformulier: Formulier om een hond voor een kynologisch evenement in te schrijven. Inschrijfgeld:Het bedrag dat verschuldigd is voor deelname aan een kynologisch evenement. Inteelt:Paring van verwanten zoals zuster en broer, moeder en zoon, dochter en vader. Isabel: Een van bruinachtige vaalgele kleur J Jachtknobbel: Kam op het achterhoofdsbeen (achterhoofdsknobbel). K Kameelrug: Gebogen rug, waarvan de welving te dicht bij de schoft begint. Kampioen, Internationaal - : Titel, verleend door de FCI na het behalen van de vereiste internationale kampioenschap prijzen (CACIB), onder vastgestelde voorwaarden. Kampioen, Nationaal -: Titel, verleend door de overkoepelende landelijke organisaties na het behalen van de vereiste kampioenschap prijzen. De voorwaarden zijn per land verschillend. Kampioen, Nederlands -: Titel, verleend door de raad van Beheer op Kynologische Gebied in Nederland, na het behalen van in principe vier kampioenschap prijzen, onder bepaalde voorwaarden. Kampioenschapsclubmatch: Clubmatch van een rasvereniging waar kampioenschap prijzen en reserve kampioenschap prijzen behaald kunnen worden. Kampioenschapsprijs: Zie CAC. Karperrug: Sterker dan nogal gewelfde lendenpartij (Franse Buldog). Kattevoet: Kleine, ronde voet. Keelhuid: Ruim hangende, losse huid rond de keel. Keurmeester: Iemand die op een exposietie honden beoordeelt en kwalificeert. Kissing spots: Kleine, roodbruine vlekjes op de wangen van de Black and Tan Terrier. K.M.S.H.: Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus Knikstaart: Staart waarvan 2 wervels in een knik met elkaar vergroeid zijn. Knopoor: Driehoekig, hoog aangezet oor dat zodanig naar voren valt dat de gehoorgang afgesloten is. Koehakkig: Spronggewrichten die niet parallel, maar naar binnen gebogen staan. Koppel: Twee honden van hetzelfde ras of dezelfde variëteit, ongeacht het geslacht. Kortbenig: Door verkorting van de beenderen van de ledematen zijn de benen korter dan bij de normaal gebouwde hond. Kortharig: Korte bovenvacht met ondervacht. Korte jacht: Jacht met het geweer. Kraag: Langere, iets uitstaande vacht rond de hals. Kroeshaar: Gekrulde vacht, waarbij de krullen gevormd worden door de zachte ondervacht. Kruis: Laatste deel van de rug tussen darmbeenknobbels en staartaanzet. Kruisen: Het kruisgewijs neerzetten van de voeten tijdens het gaan. Kruisgebit: Stand van de tanden waarbij een gedeelte van de bovenkaak een schaargebit vormt en het tegenoverliggende gedeelte van de onderkaak een onderbeet is. Krulhaar: Vacht die sterk krult. Krulstaart: Staart die in een gesloten ring over de rug gedragen wordt. Kurketrekkeroor: Gedraaid, hangend oor. Kurketrekkerstaart: Korte staart waarvan de wervels niet regelmatig achter elkaar, maar verdraaid en geknikt liggen. Kwalificatie: Waardering van een beoordeelde hond op exposities, gegeven door een bevoegd keurmeester. Kynologie: Wetenschap over de hond. Deze tem wordt ook gebruikt om de hondensport in het algemeen aan te duiden Kynoloog: Kenner van honden. Algemeen wordt er ook de liefhebber van honden mee bedoeld. L Laagbenig: Zie: kortbenig. Laaggesteld: Honden waarvan de bodemafstand kleiner is dan de borstdiepte. Labiel: Wankelbaar. Lachen: Het aan de zijkanten optrekken van de bovenlippen. Lange honden: Honden die op het zicht jagen. Lange jacht: Jacht met honden die alleen hun gezichtsvermogen gebruiken. Lange neus: Het vermogen om het wild op grote afstand te ruiken. Langharig: Lang, aanliggend haar met dunne en zachte bovenvacht. Leverkleurig: Vooral bij jachthonden gebruikte aanduiding voor een lichtere bruin tint. Loboor: Bij de aanzet smal oor dat geleidelijk breder uitloopt en aan de punt afgerond is. L.O.F.: Livre des Origines Français (Franse stamboom) Loopsheid:Periode in de cyclus van de teef, waarin ze vruchtbaar is. Lopende honden: Zie brakken. Los front: Door onvoldoende stevige bespiering niet goed aanliggende en teveel bewegende schouderbladen en/of ellebogen. L.O.S.H.: Livre des Origines Saint-Hubert (Belgische stamboom). Buiten het L.O.S.H. zijn er nog A.L.S.H. (Annexe au Livre des Origines Saint-Hubert) en R.I.S.H. (Registre Initielle Saint-Hubert). Alleen het L.O.S.H wordt door de FCI erkend. Luid geven: Zie hals geven. M MAG-test:De test Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag, gedragstest voor honden, waarbij de agressie wordt getest M-hond: Hond die op exposities de kwalificatie matig krijgt. Maagtorsie: Een draaiing van de maag om de lengteas, waardoor het spijsverteringskanaal afgesloten wordt. Mantel: Kleur die het lichaam bedekt met uitzondering van de benen, de hals en de staart. Markeren: Het opmerken van de juiste plaats waar aangeschoten wild beland en deze plek onthouden. Masker: Donker gekleurde voorsnuit van lichter gekleurde honden, meestal zwart maar soms ook anders kleurig. Meute: Groep brakken die wild achtervolgen. Min: Een teef die pups van een andere moederhond voedt. Monorchisme: Het niet ingedaald zijn van één testikel. Muzzle: Voorsnuit. N Naakthonden: Honden die volledig haarloos zijn, óf alleen op het hoofd, aan de benen en op de staart behaard zijn. Nauw gaan: Het te dicht naast elkaar plaatsen van de voor- en/of achterbenen tijdens de beweging. Neusrug: Deel van de neus dat loopt van de neusspiegel tot aan de stop. Neusspiegel: Voorste, onbehaarde deel van de neus, waarin de neusgaten liggen. N.H.S.B.: Nederlands Hondenstamboek (Nederlandse stamboom). O Oorbellen: Lange haren met zwarte haarpunten. Onzuivere brand: Donkere vlekjes in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan patroon. Open oor: De gehoorgang wordt niet bedekt door de oorschelp. Otterstaart: Korte en dikke staart die geleidelijk dunner wordt naar de staartpunt toe. P Platen: Grote vlekken op een lichte onderkleur. Pronkrug: Streep haren op de rug die in tegenovergestelde richting groeien. Prefix: Als de kennelnaam voor de roepnaam van de hond wordt geplaatst. R Racy: Op snelheid gebouwd. Rashondenlogboek: Bij de Raad van Beheer te verkrijgen boekje waarin gegevens en behaalde resultaten van u hond geregistreerd worden Raspunten: Een aantal eigenschappen waaraan rashonden moeten voldoen. Red Fawn: Rood reekleurige vacht. Ring: Afgebakende ruimte op de exposities waarin de honden geshowd en gekeurd worden Ringcommissaris: Een persoon die onder verantwoordelijkheid van de ringmeester administratieve werkzaamheden moet verrichten. Roest: Donkere vlekken in de vaalgele tot bruinrode aftekening van het tan-patroon. Rollend gangwerk: Een schommelende beweging van het lichaam, het lijkt net dat de hond zich deinend voortbeweegt. Ruwhaar: Een bovenvacht van stugge, lichtgegolfde haren met wollige, vettige ondervacht. S Sabel: Grijze, bruine of oranjerode vacht, al dan niet met zwarte haarpunten Scherp: Een hond die neiging tot bijten vertoont. Niet uit angst maar door agressie. Schimmel:Gemêleerd witte met een andere kleur haren zoals bijvoorbeeld bij Engelse Cocker Spaniel. Schoft: Het deel van het lichaam waar de nek overgaat in de rug. De toppen van de schouderbladen wordt aangehouden voor de meting. Schotschuw: Angst voor het geluid van schoten en andere harde, plotselinge geluiden. Spreidvoeten: Voeten waar de tenen niet goed van aangesloten zijn. Standaard: Een lijst van eigenschappen waaraan alle rashonden moeten aan voldoen. Stamboek: Boek waarin de afstamming van rassen wordt opgenomen. Stamboom: Door de Raad van Beheer afgegeven bewijs van de afstamming van de rashond. Steil: Te weinig hoekingen in de voor en/of achterhand. Steppen: Het te hoog optillen van de voorbenen. Stokhaar: Kort, hard, grof haar Stuwen: Het stevig afzetten met de achterbenen tijden het lopen. T Tan: Geelachtige tot roodbruine aftekeningen aan het hoofd, op de borst, aan de benen en de onderzijde van de staart. Black and tan: zwart met tan aftekeningen; Blue and tan: blauw/blauwgrijs met tan aftekeningen; Liver and tan: bruin met tan aftekeningen. Tanggebit: De onder- en bovensnijtanden staan precies op elkaar. Tastharen: Lange, dikke en zeer harde haren aan het hoofd. Telgang: Het gelijktijdig naar voren bewegen van beide linker- dan wel rechterbenen. Terrier: Een groep honden die als taak had rooftuig op te ruimen en daarvoor ook onder de grond werkte. Ticking: Kleine vlekjes op een witte ondergrond. Tipoor: Staand oor, waarvan het bovenste gedeelte naar voren valt. Tonvormig: Ribben die sterk gerond verlopen. Top knot: Rijkelijke schedelbeharing die een kuif vormt ( Poedel ). Tricolo(u)r: Zie driekleur. Trimmen: Het plukken van de bovenvacht van ruwharige honden. Tulpoor: Zie vleermuisoor. Turnup: Opgebogen onderkaak. Type: De karakteristieke kenmerken van een bepaald ras. V Vang: Voorsnuit. Veldwedstrijd: Wedstrijd om de kennis van de jachthond in het veld vast te stellen. Vieräugler: Hond met een lichte vlek boven ieder oog. Vinnen: Rijkelijke beharing aan de voeten. Vlag: Staartpluim. Vleermuisoor: Staand oor, breed aan de basis en aan de bovenzijde een afgeronde punt. Voorhand: De schoudergordel en de voorbenen. U U-hond Hond: Hond die op exposities de kwalificatie Uitmuntend heeft behaald. Undershot: De tanden van de onderkaak staan voor tanden van de bovenkaak. Uitdrukking: Gezichtsuitdrukking van de hond. W Wammen: Zware keelhuidplooien (Bloedhond). Will to please: Werklust; de wil van de hond om zijn baas een plezier te doen. Windhonden: Groep van honden die op het zicht jaagt. Wipneus: Enigszins hol verlopende neusrug (Pointer). Wisselneus: Een van kleur veranderende neus. Wolfsklauw: Zie hubertusklauw. Wall eye: Zie glasoog. Wheaten: Tarwekleurig. Whiskers: Baard bij Airedale, Lakeland en Welsh Terrier. Workingtest: Apporteerproef. W.K. Hirschfeldstichting: Particuliere stichting die de gezondheid van de rashondenpopulatie in de gaten houdt, heupfoto's en elleboogfoto's beoordeelt, oogonderzoek doet, enz. Y Yellow liver: Bruin-gele Labrador Retrievers met de ongewenste genetische samenstelling. Z Zadel: Zwart kleurpatroon in de vorm van een zadel zoals bij de Airedale Terriërs. Zadelrug: Slappe, doorgebogen rug. Z.G-hond: Hond die op exposities de kwalificatie Zeer Goed heeft behaald. Zijdehaar: Lang zacht haar waarbij onderhaar en bovenhaar bijna niet te onderscheiden zijn. Zwaardstaart: Lange staart die bijna recht naar beneden gedragen wordt. Zwanehals: Een gebogen hals die lang en dun is zoals bij het Italiaans windhondje. Zweethonden: Honden die een zweetspoor volgen. Zwevend gangwerg: De hond loopt zeer lichtvoetig.